
|
Naam |
Maria Mathilda Gonsalves Serrao |
|
Geboortejaar |
1901 |
|
Geboorteplaats |
Paramaribo |
|
Datum van overlijden |
1962 |
|
Plaats van overlijden |
Paramaribo |
Maria Mathilda Gonsalves Serrao werd geboren op 28 juni 1901 in Suriname, aan de Wagenwegstraat (nu Dr. Nassylaan), als dochter van Francisco Gonsalves Serrao en zijn tweede vrouw Maria Gonsalves. Ze was het derde kind in dit huwelijk, na Georgetina en Adeline, en groeide op in een gezin dat vaak verhuisde tussen Suriname en Brits-Guyana. Haar kinderjaren werden gekenmerkt door hard werken en instabiliteit, met een vader die een kledingwinkel runde en een moeder die overleed in 1910 na de geboorte van haar zesde zus, Rosa, aan complicaties. Op negenjarige leeftijd stuurde haar vader haar naar een Portugees gezin in de Jodenbreestraat, dicht bij de grote markt in Paramaribo, waar ze werd ondergebracht om te helpen met huishoudelijke taken, zoals het bottelen van wijn uit vaten. Deze periode beschreef ze later als een vorm van slavernij, vanwege de strenge eisen en lange werkuren in het gezin dat haar opvoedde. Ondanks deze tegenslagen ontwikkelde ze een sterke wil en leerde ze rekenen en onderhandelen, vaardigheden die haar latere succes zouden vormgeven.
Op 19-jarige leeftijd trouwde Maria Mathilda op 13 september 1920 met Lodewijk Julius Alexander Wiersma, een 27 jaar oudere mulat-weduwnaar van gedeeltelijk Nederlandse en Creoolse afkomst. Ondanks haar aanvankelijke aarzeling over het leeftijdsverschil groeide hun relatie door zijn hoffelijkheid en talent als kleermaker. Ze vestigden zich in de Prinsenstraat 70, waar Lodewijk de winkel “Westerwinkel” runde, gericht op de verkoop van kledingstoffen. Maria Mathilda leerde naaien van hem en assisteerde bij het maken van herenkleding, wat haar eigen vaardigheden aanscherpte tot ze complete pakken kon naaien. Hun huwelijk bleef kinderloos, net als Lodewijks eerdere huwelijk, en werd gekenmerkt door een harmonieuze samenwerking. Na elf gelukkige jaren eindigde het huwelijk abrupt met Lodewijks overlijden in 1931 op 58-jarige leeftijd, wat Maria Mathilda achterliet als jonge weduwe met een bloeiende zaak.
Twee jaar later, op 13 september 1933, hertrouwde Maria Mathilda met Carlos John dos Ramos, de oudste zoon van Gregorio dos Ramos en Adelaide Rodrigues, in de St. Rosakerk in Paramaribo. Getuigen waren Eugène Piti en Albert Emanuel Vasconcellos. Het paar vestigde zich eerst in de Prinsenstraat 70, waar Maria Mathilda de Westerwinkel voortzette, maar al snel verhuisden ze naar een groter pand aan de Zwartenhovenbrugstraat/Steenbakkersgracht, dat ze “Standaard” noemde. Dit twee verdiepingen pand opende ze na een jaar huwelijk, met een winkel op de begane grond en hun woonruimte erboven. In 1944, na een miskraam in 1935, baarde ze haar eerste kind, Carlos Lodewijk, op 30 april, vernoemd naar haar twee echtgenoten. Vervolgens werden Edith Ursula Maria (23 augustus 1936), Robertus Wilfridus Gregorius (8 oktober 1939), en de tweeling Yvonne Adelaide Maria en Armando Jorge (29 januari 1941), geboren. Het gezin verhuisde vaak, van een boerderij bij Pad van Wanica (1940-1941) naar Steenbakkersgracht 35, en ondernam een reis naar Guyana (1949-1950) om haar zus Adelina te helpen, wat de organisatorische talenten van Maria Mathilda liet zien.
Maria Mathilda was een selfmade zakenvrouw met een uitzonderlijk talent voor rekenen en bouwprojecten, eigenschappen geërfd van haar vader. Ze breidde de Westerwinkel uit met meubels en bouwde meerdere panden, waaronder, in 1943, een verhuurbaar huis aan Steenbakkersgracht 31-33. Tijdens de Tweede Wereldoorlog in Suriname (1942-1945) leidde ze haar gezin door schaarste en luchtaanvallen, waarbij ze creatieve oplossingen vond, zoals het hergebruik van stoffen voor kleding. Haar kracht werd getest door de tragische dood van haar dochter Yvonne op 9 februari 1949 door een aneurysma, een verlies dat het gezin diep trof. Na Carlos’ depressie en ziekte in de vroege jaren 1950 nam ze de volledige verantwoordelijkheid, terwijl ze haar kinderen ondersteunde in hun opleiding en dromen.
In de vroege jaren 1960 begon Maria Mathilda’s gezondheid achteruit te gaan na galsteenoperaties, gevolgd door een groeiende tumor. Ondanks haar kwetsbaarheid bleef ze betrokken bij haar gezin en zaken, maar op 11 februari 1962 stierf ze in het ziekenhuis, omringd door familie. Ze werd begraven in een witte jurk, gemaakt door haar schoonzus Marie, en liet een lege plek achter. Haar nalatenschap als sterke, zorgzame en ondernemende vrouw wordt herdacht door haar kinderen en kleinkinderen, met name in de gedetailleerde familiegeschiedenis van Edith Sjaarda – dos Ramos.

Door Jan Sjaarda
