
|
Naam |
Joaquin Rodriques Perdigao |
|
Geboortejaar |
1825 |
|
Geboorteplaats |
Madeira |
|
Datum van overlijden |
1903 |
|
Plaats van overlijden |
Paramaribo |
Van contractarbeider tot burger en winkelier
Het verhaal van Joaquin Rodriques Perdigao is dat van een man die, zoals zovelen uit Madeira, zijn geboorteland verliet om in Suriname een nieuw bestaan op te bouwen. Maar zijn pad laat zien hoe volharding, aanpassing en doorzettingsvermogen konden leiden tot erkenning, burgerschap en een eigen plek in de koloniale samenleving.
In 1854 arriveerde Joaquin Rodriques Perdigao op 37-jarige leeftijd in Suriname, aan boord van het schip Libania & Adelaida. Hij was geboren in 1825 op het Portugese eiland Madeira, als zoon van Dominga en Quiteiro de Jesus. Net als honderden anderen werd hij als contractarbeider naar Suriname gebracht, in een periode waarin de kolonie op zoek was naar vervangende arbeidskrachten na de afschaffing van de slavernij.
Zijn eerste jaren werkte hij op de plantage Drie Gebroeders, maar Joaquin bleef niet op het veld. In 1857 trok hij naar Paramaribo, waar hij werk vond in een winkel, een eerste stap richting zijn latere bestaan als zelfstandige winkelier.
Van immigrant tot burger: een leven van opklimming
In 1865 dienden Joaquin en zijn partner Maria de Menezes, weduwe van Francisco Gomes, een verzoek in om te mogen trouwen. Omdat zij, zoals veel migranten, geen geboorteakten konden overleggen en er niemand bevoegd was om een akte van bekendheid af te geven, vroegen zij aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand om toch in het huwelijk te mogen treden. Na advies van de Gouvernementssecretaris werd toestemming verleend, mits beiden onder ede verklaarden dat zij de benodigde documenten onmogelijk konden verkrijgen.
Vier jaar later, op 30 december 1869, kreeg Perdigao het burgerrecht. Daarmee werd hij officieel erkend als volwaardig lid van de kolonie. Hij legde de vereiste eed af en ontving zijn brieven van admissie. Op dat moment had hij zich al als winkelier gevestigd in Paramaribo.
In 1877 verscheen zijn naam voor het eerst op de lijst van kiezers voor de koloniale Statenverkiezingen. Hij had dat jaar 69 gulden aan patentrecht betaald, vermoedelijk om als winkelier of winkelbediende te mogen werken. In 1899 stond zijn naam opnieuw op de lijst, en nu bleek hij ook belasting te hebben betaald over personeel, huurwaarde en opnieuw patentrecht, tekenen van een bloeiende zaak.
In de loop van zijn leven trad Joaquin in het huwelijk met drie vrouwen: Antonia Rosa, Maria de Menezes en Dominga de Jesus. Tot op gevorderde leeftijd bleef hij werkzaam als winkelier. Er zijn geen aanwijzingen dat hij kinderen heeft nagelaten. Op 27 april 1903 overleed hij op 78-jarige leeftijd in het Militair Hospitaal van Paramaribo.
Uit een krantenadvertentie blijkt dat zijn laatste echtgenote, de weduwe Dominga Perdigao – de Jesus, in 1908 het huis aan de Keizerstraat verkocht voor 2.000 gulden — een aanzienlijk bedrag voor die tijd. Ze overleed zelf op 6 mei 1909, op 66-jarige leeftijd, in datzelfde huis. Dominga had uit een eerdere relatie met Francisco Gomes twee kinderen: Manuel (geboren in 1863) en Maria de Gomes (1864–1924).
Joaquin Rodriques Perdigao staat symbool voor een generatie die, ondanks moeilijke startomstandigheden, met doorzettingsvermogen een nieuwe toekomst wist op te bouwen. Zijn verhaal toont hoe Madeirese immigranten niet alleen het harde plantagewerk verrichtten, maar ook de stadseconomie van Paramaribo mede vormgaven. Zijn verwerving van het burgerrecht, deelname aan het kiesrecht en eigendomsopbouw markeren een stille, maar betekenisvolle opmars van een migrant tot burger met stem en bezit.
In bredere zin benadrukt zijn levensloop hoe belangrijk het is om migratieverhalen te documenteren: ze laten zien hoe gemeenschappen zich verankeren in de samenleving, zelfs wanneer officiële papieren ontbreken en de obstakels talrijk zijn.
Door redactie
