- Uit: verhalen van uit boek
Het goud van Sarakreek
Een verhaal over durf, doorzettingsvermogen en de vergeten rol van Madeirezen in de goudkoorts van Suriname. Terwijl regen op het dak tikt en oude herinneringen bovenkomen, ontvouwt zich aan de keukentafel een familiegeschiedenis die dieper reikt dan plantages en armoede, naar een tijd waarin voorouders het binnenland introkken, op zoek naar meer dan alleen goud.
‘Oma, is het echt waar dat onze familie vroeger iets met goud deed?’
Het meisje zat op een houten krukje en wiebelde met haar voeten. Buiten tikte de regen zacht op het zinken dak, alsof hij zelf een oud geheim fluisterde.
Oma keek op van haar mok en glimlachte. ‘Ah, dat is een oud verhaal, meisje. Een verhaal met glans én stof.’
Opa bromde zonder op te kijken van zijn krant. ‘Meer stof dan glans, als je het mij vraagt.’
Oma lachte zacht. ‘Ach, jij altijd met je nuchtere hoofd. Maar luister nu goed. Rond 1876, net na de afschaffing van de slavernij, vonden ze goud bij de Sarakreek. En toen begon het allemaal.’
Ze draaide de mok in haar handen. ‘De overheid rook kansen. Er kwamen spoorwegen, concessies, hele karavanen die het bos introkken. Iedereen dacht rijk te worden.’
Opa haalde zijn schouders op. ‘De meesten kwamen berooid terug. Modder, muskieten, en een hoop verhalen. Dat is wat ze vonden.’
Het meisje keek van de een naar de ander. ‘En onze familie? Waren ze daar ook bij?’
‘Jazeker,’ zei oma. Haar ogen glansden. ‘De Madeirezen, onze mensen, waren niet zomaar arbeiders. Sommigen kregen zelfs eigen concessies. José Rodrigues, bijvoorbeeld. Een koppige man, zei je overgrootvader altijd. “Geen prater, maar een doener,” zei hij. Zelfs toen de mijn onder water liep, ging hij door.’
‘Stugge kerel,’ mompelde opa. ‘Maar eerlijk was hij wel.’
‘Ze deden van alles,’ ging oma verder. ‘Bouwhout, zout, wijn, kokosolie, cement… ze handelden in alles wat de grond of de zee te bieden had.’
Het meisje boog voorover. ‘En hebben ze echt goud gevonden?’
Opa legde zijn krant neer. ‘Meer dan je denkt. In 1932 haalde A.W. dos Ramos bijna vijf kilo goud uit de Surinamerivier. Daar praatten ze jaren over.’
‘En dat, kind,’ zei oma zacht, ‘was jouw familie. De naam die jij draagt, blinkt niet van goud, maar van moed.’
Even was het stil. De regen was opgehouden. In de verte zongen kikkers bij het water.
Opa zette zijn bril af en keek naar zijn kleindochter. ‘Weet je wat belangrijker is dan wat ze vonden?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Dat ze bleven zoeken,’ zei hij.
Oma glimlachte en streelde over het oude koffiekistje op tafel. ‘Kom, laten we wat gommakoekjes (maïzenakoekjes) pakken. Goud is er genoeg in de verhalen.’
Het meisje grinnikte. ‘Vertel je me straks nog eentje?’
‘Altijd, schat,’ zei oma. ‘Altijd.’
