
|
Naam |
Antonio Moniz |
|
Geboortejaar |
1857 |
|
Geboorteplaats |
Caramanchão, Madeira |
|
Datum van overlijden |
1936 |
|
Plaats van overlijden |
Paramaribo |
Antonio Moniz werd op 9 oktober 1857 geboren in het dorp Caramanchão, in de parochie Machico op Madeira. Slechts negen dagen later, op 18 oktober, werd hij gedoopt in de kerk Nossa Senhora da Conceição door pastoor Francisco José Roiz d’Almeida. Zijn vader, Antonio Moniz sr., kwam uit Porto da Cruz, zijn moeder, Maria da Incarnacão, uit Santa Cruz. Hoe groot het gezin was bij zijn geboorte is niet bekend, maar duidelijk is dat ze leefden in een tijd van zware beproevingen.
In armoede levende gezinnen op Madeira dreigde ook acht jaar verplichte militaire dienst voor jonge mannen, waardoor families arbeidskrachten verloren. Autoriteiten voorkwamen dat zij het eiland verlieten, waardoor Antonio’s vader een uitweg zocht voor zijn zoon.
Zo begon Antonio’s reis naar Suriname, een poging om armoede en militaire dwang achter zich te laten. Het was een sprong in het onbekende, zonder zekerheid van werk of onderdak, maar wel een breekpunt met zijn verleden. Zijn vader leende geld, kocht een paspoort en vond een schipper die hem als werkend passagier wilde meenemen. Vanuit Funchal vertrok hij met een schoener; drie weken lang was het schip zijn thuis. De reis was zwaar.
In Paramaribo kreeg Antonio hulp van een man uit zijn dorp die in een winkel werkte. Hij vond er een baan als winkelbediende en mocht boven de winkel slapen. Zijn dagen begonnen vroeg: schoonmaken, vegen, en de schappen vullen met rijst, suiker en zout.
Door zijn huwelijk in 1880 met Trijntje Sloot, een vissersdochter uit Egmond aan Zee, veranderde zijn beroep van winkelbediende naar boer. Ze gingen wonen op de buitengrond Vaderzorg aan de Rijweg naar Kwatta, waar Trijntje’s vader, Pieter Sloot, een kwekerij had opgezet. Eerder werkte Antonio nog in de winkel, maar al snel hielp hij mee op de kwekerij, die zijn leerschool werd.
Pieter en zijn vrouw Teunisje Gouda waren in 1854 met hun vier kinderen vanuit Egmond aan Zee naar Suriname geëmigreerd, op uitnodiging van August Kappler om in Albina een visbedrijf te beginnen. Toen dat mislukte, vestigden zij zich in Paramaribo en werden opgenomen in de Boeroe-gemeenschap. Na het plotselinge overlijden van Pieter in 1873 hield Teunisje met haar kinderen de kwekerij draaiend. Ze verkochten melk, mest en landbouwproducten, en wisten zo te overleven.
In 1881 kreeg Antonio een eigen perceel aan de Verlengde Gemenelandsweg. Hij moest er zelf een weg naartoe aanleggen, het terrein omheinen, afwateren en een huis bouwen. Binnen korte tijd bracht hij het eerste stuk land in cultuur.
Antonio en Trijntje bouwden hun boerderij en gezin uit tot een bron van trots. Ze hielden koeien, kippen en eenden, en verbouwden aardvruchten en bananen. Het droogleggen van het terrein was zwaar werk, maar samen klaarden ze de klus.
Hun eerste kind, Maria Trijntje, werd in 1885 geboren, gevolgd door Petrus Johannes in 1888 en Antonio jr. in 1892. Het gezin groeide, net als de boerderij. Met ingehuurde arbeidskrachten konden Antonio en Trijntje zich meer richten op zowel het bedrijf als hun kinderen.
In 1898 kocht Antonio een nieuw stuk grond met houten woningen, die hij ging verhuren. Hij breidde zijn bezit uit met kavels en huizen, die hij verhuurde of soms weer verkocht. Zo ontstonden extra inkomsten en zette hij zijn eerste stappen als makelaar. De familie werd gerespecteerde boeren en verhuurders, gedreven door de wens hun kinderen een betere toekomst te geven.
Toen Antonio zijn belastingen netjes had betaald, mocht hij in januari 1899 voor het eerst stemmen bij de verkiezingen voor de Koloniale Staten van Suriname, een bijzonder moment voor de voormalige “Potogisi boi” (Portugese jongen).
Op 28 januari 1936 overleed Antonio Moniz senior op 69-jarige leeftijd in zijn huis aan de Verlengde Gemenelandsweg 27. Zijn begrafenis bracht familie, vrienden en bekenden samen om afscheid te nemen van een man die ooit als vreemdeling naar Suriname kwam, maar uitgroeide tot een gerespecteerd boer en vaderfiguur. Zijn nalatenschap was groot: rond 1936 bezat de familie Moniz circa 80 hectare grond. Aan de Verlengde Gemenelandsweg lagen ongeveer 21 hectare in handen van Maria Trijntje en Antonio jr., naast diverse kavels en panden in Paramaribo. Petrus Johannes bezat de plantage L’Hermitage (ca. 47 ha.) op Zorg en Hoop en de plantage Rossignol (ca. 12 ha.) aan de Kwattaweg. Zo bleef het levenswerk van Antonio voortbestaan in de generaties na hem.
De naam Moniz komt uit Portugal en Galicië en betekent waarschijnlijk “bescherming” of “verdediging”. Een bekende drager van deze naam was Felipa Perestrello Moniz, de vrouw van ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus.
Door Ronald Lieuw
